|
In de beeldschone gerestaureerde
Vaste Burcht kerk (PKN) te Wijckel,
vlakbij Balk in Friesland bevindt zich het Praalgraf van Nederlands
beroemdste vestingbouwer
|
|
|
Historisch onderzoek door: Drs. A. Reinstra RDMZ
‘Zelf Maroos heldentoon kan onzen Held niet eeren’[1]
Ter voorbereiding op de restauratie van het grafmonument van Menno van Coehoorn is een historisch onderzoek ingesteld om te kijken wat er nu eigenlijk over de tombe, de begraafplaats van Menno en over de restauratiegeschiedenis van het monument bekend is. Daarnaast is er aan de voet van het monument een gat gegraven om een indruk te krijgen van de fundering en de reden van de verzakkingen (zie verslag ondergetekende). Beide onderzoeken hebben veel nieuwe gegevens opgeleverd die hier even worden aangestipt en na de restauratie, samen met de bouwhistorische vondsten die bij demontage tevoorschijn komen, uitgebreid gepubliceerd zullen worden. Uiteraard is de bestaande literatuur doorgenomen op relevante stukken. Daarbij bleek dat over de militair Van Coehoorn en zijn daden veel bekend is, maar juist over zijn leven, de tombe en de begraafplaats van Menno bitter weinig. Een goede verklaring bijvoorbeeld voor het feit dat hij in Wijckel zijn laatste rustplaats heeft gekregen wordt niet gegeven. Om hier grip op te krijgen zijn de familiebanden van met name Menno’s vrouw bekeken en is een onderzoek ingesteld naar de grafzerken in de kerk. Dit leverde enerzijds een logische historische context op en anderzijds gaf het onderzoek een aardig beeld van hoe er in het verleden (zonder enige vorm van documentatie) met grafstenen is gesleept bij de diverse restauraties. Zeer belangrijk bleek het archief dat dhr. Ir. F.A.M. Aukes, een nazaat van Van Coehoorn, ons voor studie ter beschikking stelde. Dit archief bevat niet alleen het bestek van de tombe, maar ook de betalingen aan de beeldhouwer Pieter van der Plas en correspondentie over onderhoud, overdrachten en verplaatsing van het monument. Verder bevinden zich in de collectie van Aukes twee zeer zeldzame manuscripten uit 1704 ter nagedachtenis aan Van Coehoorn, een aantal stukken over de familiegraven in de kerk te Wijckel en een grote hoeveelheid aan familiedocumenten betreffende de genealogie (interessante geslachtsregisters, kwartierstaten en boedelscheidingen). Het kerkarchief van de (v.m.) Hervormde Gemeente Wijckel is in de vele publicaties niet als bron opgevoerd. Omdat zich hierin relevante informatie kon bevinden over bijvoorbeeld betalingen betreffende de graven of de herenbank is dit archief geraadpleegd. (Mw. E. Scheltema). Daarvoor is eerst een inventarisatie gemaakt van de kerkboeken (Mw. F. Swart). Uit die inventarisatie bleek dat het oudste rekeningenboek (kerkvoogdijboek 1657-1693) zich niet in de kerk bevond, maar in het gemeentehuis was opgeborgen en in een slechte staat verkeert. Het boek uit de periode waarin Van Coehoorn werd begraven ontbreekt helaas. In het Rijksarchief Fryslân (Tresoar) te Leeuwarden zijn ook vele archieven aanwezig waarin de familie Van Coehoorn voorkomt. Hier zijn naast officiële stukken als correspondentie met stadhouders e.d. ook publicaties, foto’s en kranteartikelen aanwezig. Het archief is goed toegankelijk maar bevat weinig informatie over de bouwkundige zaken. Daarentegen is in het familiearchief van Van Sminia wel het nodige aanwezig betreffende de familie Coehoorn. Zo zijn er juridische kwesties, brieven, boedelscheidingen, rekeningen, verantwoordingen en testamenten van vooral de kinderen van Menno aanwezig. Deze stukken zijn bekeken en bleken nog veel interessante gegevens te bevatten over de gang van zaken rond Menno’s begrafenis. Het is opmerkelijk dat deze niet eerder zijn gepubliceerd. Interessant zijn ook de tekeningen van verschillende grafzerken bewaard in het Fries Museum. Deze tekeningen zijn door A. Martin gemaakt en werden in 1883 en 1889 geschonken aan het Fries Genootschap. In 1886-1887 wordt in het verslag van dit genootschap aangegeven dat men een foto van het monument geschonken heeft gekregen. Th. M. Staas uit Leeuwarden zou de fotograaf zijn. Deze foto wordt nog opgevraagd en zou wel eens de oudste foto van het grafmonument kunnen zijn.
Enkele data:
- 1782 Rechten tombe van Theodora Aurelia van Schwartz, geb. Coehoorn, overgedragen aan haar broer Menno Baron van Coehoorn. Dit jaartal aan de rechterkant in de voetplaat van de sokkel gegraveerd. - 1814 slechte staat kerk en in het bijzonder de toren, die sedert lang dreigt in te storten. Verzoek van Zijne Koninklijke Hoogheid Willem I om tombe op s’lands kosten over te brengen naar hoofdkerk van Leeuwarden. -1885 vinden er werkzaamheden plaats waarbij grafzerken van de familie Coehoorn verplaatst worden vanuit de vloer naar de koormuren. Vermoedelijk uitbreiding van de banken. -1910. F.W Graaf van Limburg Stirum wil tombe samen met f. 1000,- voor het onderhoud, aan provincie Friesland schenken. Provincie verwijst naar het Rijk en kerkvoogdij. Er zijn dus bezwaren en de notaris meldt dat hij afwacht wat Binnenlandse zaken zal antwoorden. -In 1941 is de staat van het monument kennelijk nog goed. In een brief gedateerd 9 juli 1941 van het Rijksbureau voor de Monumentenzorg aan eigenaar A.G. Aukes wordt vermeld dat er een ambtenaar is geweest die de algemene staat goed noemt. Het advies van het Rijksbureau: regelmatig schoonhouden maar niet met water in verband met roesten. -Op 10 mei 1947 stuurt de Stichting Menno van Coehoorn aan de directeur van het Rijksbureau voor de Monumentenzorg een brief met daarin het volgende: Wijckel. De kerk, waarin zich het schoone marmeren praalgraf uit ong. 1710 van Menno, baron van Coehoorn, bevindt, vertoont in de buitenmuren van het koor scheuren tengevolge van verzakking. Daar het praalgraf en de daarnaast tegen de wanden der kerk opgestelde epitafen en zerken aan de muren verankerd zijn, vrezen wij dat, als het verzakkingproces voort gaat, de historische gedenktekenen daarvan schade zullen ondervinden. Mitsdien verzoeken wij U met aandrang, te willen bevorderen dat in overleg met het kerkbestuur en de eigenaren van de bovengenoemde graven- de nodige maatregelen worden genomen om de verzakking, door versterking van de kerkfondamenten of op andere wijze, verder tegen te gaan. De achtergrond van het praalgraf wordt gevormd door een met waterverf zwart gemaakte muur, welker bepleistering op vele plaatsen uitslaat, Naar onze mening verdient het aanbeveling, deze zwarte achtergrond door een witte bepleistering te vervangen, waarbij het monument meer tot zijn recht zal komen.
Historische Beschrijvingen
Zacharias Conrad von Uffenbach, 1710 De oudste beschrijving van het grafmonument en de situatie in de kerk dateert reeds uit 1710. In dit jaar maakte de Duitser Zacharias Conrad von Uffenbach een rondreis door Friesland en tijdens die reis bezocht hij het huis en de laatste rustplaats van de beroemde generaal van Coehoorn. De vermogende en belezen Zacharias was echter niet erg geïmponeerd. Hij schrijft: ‘Vermits wij hier niets te doen vonden, zoo gingen wij den 30. April, om 5 uur, van hier, en wel eerst naar Wykel, een gering dorp, een goed uur binnenwaarts van den weg naar de Lemmer gelegen. Wij gingen echter daarheen, om het huis en de grafstede van den beroemden generaal Coehoorn te zien. Wij vonden beide niet zoo merkwaardig, als men ze ons geroemd en wij ons voorgesteld hadden, te meer, daar de staten hem ter eere dit gedenkteeken hadden laten maken. Dit laatste had men echter ons verkeerd berigt, zoo als uit het opschrift zelf kan blijken. Het is in eene kerk, die met den toren wel is waar tamelijk groot schijnt, maar inderdaad niets bijzonder of groot is. De toren zelf, ofschoon niet hoog, is evenwel bijna half zoo breed als de kerk. Het monument bestaat uit een zerk of voetstuk, van wit albast marmer, waarop de generaal in levensgrootte, geharnast, op allerlei wapentuig, bijzonder tot de artillerie behoorende, een wapen door hem meer en meer volmaakt, ligt; in de regterhand heeft hij eenen bevelhebbersstaf, en hij steunt met zijn hoofd op den linkerarm. Achter hem staat een groote helm. Tegen den muur is eene pyramide, van redelijke hoogte, van bruin en -wit marmer, waaraan zijn wapen hangt. Onder op den voet was eene belegering en basrelief, maar, gelijk alles, niet fijn of bijzonder schoon vervaardigd, zoo wel wat teekening als bewerking betreft. In het midden staat, op een klein schild, het volgende opschrift : M. viro opt. nobiliss. copiarum duci fortiss. pio felici strenuo bellicarum artium scientissimo Minno baroni de Coehorn, peditum praefecto, Flandriae Batavicae arciumque ad Scaldim gubernatori. Operibus et munitionibus tormentis et machinis bellicis summis et praepot. Belg. Foed. Ordinibus praeposito summo. Oblatos a maximis Europae principibus honores summos et virtutis praemia patriae posthabuit cui militavit annis fere XLVII continuis tot exantlatis laboribus annis gravis militari gloria cumulatus piissime in Xto obiit XVII Mart. an. sal. MDCCIV aet. LXIII Monumentum parentis optimi de se optime meriti memoriae liberi moerentes quo sepultus est loco consecrarunt
Zoo als uit de laatste woorden blijkt, hebben niet de staten, maar zijne kinderen, het monument laten maken. Hij heeft er drie nagelaten, twee zonen en eene dochter; deze laatste woont te Leeuwarden. De oudste is in den Haag raad van de staten van Holland (sic); de andere is tot hiertoe in krijgsdienst geweest. Eene dochter, niet lang geleden gestorven, is ook hier begraven, zoo als men lezen kan op het in Holland gebruikelijke zwarte bord, dat aan den muur ter regterhand hangt; daar leest men dit:
Vrouwe Amelia, geboren baronnesse van Coehorn, huysvrou van den heer Mart. van Scheltinga, grietman, obiit MDCCVIII
Deze heer van Scheltinga is grietman, twee(?) mijlen van hier, te Heerenveen. Een grietman is een ambtman; en het woord wil zeggen een groot man.’ Ook dit woord bevestigt, wat boven van de vermenging der Angel-Saksische, en de overeenkomst met de tegenwoordige Engelsche taal gezegd is geworden. Want dit woord is, in uitspraak en beteekenis, Engelsch; en greetman moet in het Engelsch ook grietman uitgesproken worden. Ik moet hier een rijmpje plaatsen, hier te lande in omloop, door mij vroeger vergeten op te nemen, doch hier wel voegende: Bread, butter en greene cheese, Is good Englisch and good Fries. De Hindelooper en Molkwerummer boeren spreken dit even als de Engelschen uit. Het woord grietman is nog overal in Friesland gebruikelijk. Hendrik van Wykel (uit een geslacht gesproten, dat hier sedert ouds goederen had), is alhier grietman. Naast het gestoelte der familie Coehoorn heeft hij ook een afzonderlijk gestoelte in deze kerk, waarboven deze woorden staan: Salich sijn sij, die Godts woordt hooren, en dat bewaeren, Luc. XI: 28, hetgeen op deze plaats wel te pas is aangebragt. Daarna bezagen wij het huis van den generaal Coehoorn. Wij hadden ons een fraai lusthuis en tuin voorgesteld; beide zijn echter zeer gering, en volstrekt niet gemeubileerd, zoodat het niet de moeite waard is, om er naar toe te gaan.’
Van der AA 1839-1851 ‘De graftombe van den dapperen en krijgskundigen Menno Baron van Coehoorn is een sieraad van deze kerk. Zij is door zijne kinderen zijner nagedachtenis gewijd, op de plaats, waar hij begraven is. In den Franschen tijd is het sierlijk en fiks bewerkt stuk deerlijk geschonden; niet alleen zijn van de opschriften op het schild eenige woorden uitgehouwen, maar ook van het wapen dat in het midden van de naald aangebragt was, is afgekapt. Bovendien is de geheele uitrusting van den held, die om de graftombe moet gehangen hebben, toen weggenomen en nimmer weer op de plaats aangebragt. Hierdoor inzonderheid heeft het stuk veel verloren, dewijl de aanleg van het fraaije monument blijkbaar niet vervaardigd is, om tegen eene kalen muur als geplakt te staan.’
Craandijk 1875-1888: ‘Wyckel is klein. Slechts weinige huizen staan er, vooral op het punt waar de wegen naar Balk en naar Sondel uiteengaan. De twee sterke stinsen, die er eenmaal prijkten, zijn sinds lang verdwenen. Het zeer, eenvoudige kerkje heeft een’ zwaren toren, met muren van twee M. dik, van groote Friesche moppen, met stukken rooden zandsteen gemengd. 't Is een oud gebouw, gelijk Wyckel dan ook reeds in 1132 wordt genoemd. De voormuur van den toren is nagenoeg evenbreed als het gansche kerkje. Eertijds stond er een veel grooter bedehuis, maar een brand verwoestte het, en ook het koor, dat was blijven staan, is later, afgebroken. Op het einde der 17de eeuw werd de tegenwoordige kerk gesticht. Dat nederige gebouwtje bevat echter de schoone graftombe van Menno van Coehoorn, die op het naburige, thans nagenoeg gesloopte Meerestein woonde. Terstond bij het binnentreden door de deur onder den toren, zien wij het monument, want het is juist daar tegenover tegen den achtermuur geplaatst. Op een zwart marmeren sarkofaag, met beeldhouwwerk in wit marmer versierd, ligt het wit marmeren beeld van den grooten ingenieur, in vol harnas den linker arm rustende op een kanon, den bevelhebbersstaf in de regterhand. Een rood marmeren obelisk rijst daar boven op, zijn van krijgstrofeën omhangen wapen dragend. Een vaas kroont het geheel en een opschrift op de sarkofaag vermeldt zijn waardigheden, verdiensten en deugden. Zijn kinderen hebben het gedenkteeken voor hem opgerigt met behulp der Staten van Friesland, die er 10000 guldens voor schonken. De vermaarde beeldhouwer Xavery heeft het kunstwerk uitgevoerd. Jammer is 't, dat de beitel ook hier vrij wat verwoesting heeft aangerigt en dat de kale muren niet meer behangen zijn met de stukken zijner wapenrusting en de rouwwapens. Nu voldoet het minder, dan bij niet zoo volstrekte naaktheid der wanden 't geval zou zijn. Tegen de zijmuren zijn nog twee gedenkteekens geplaatst. Het eene, van zwarten steen met witte vaandels, trommen, helmen en ander oorlogstuig, draagt een' zwart marmeren pijler met een wit doodshoofd. Het vermeldt den naam van Menno's evenzeer beroemden zoon, den bekwamen vestingbouwkundige Hendrik Casimir baron van Coehoorn, gest. 1756. Het andere, in denzelfden stijl, maar daarenboven versierd met een wapenschild en tenants bewaart de herinnering aan Frederik Willem, graaf van Limburg Stirum, overl. 1747, oud 24 jaar. Fraaije zerken van verschillende leden der familie Coehoorn liggen in dit gedeelte der kerk.
[1] Uit: F. Halma, Cipressen geplant ter eere van den dapperen, ontzagbaren, en manhaften held en heere, Minno baron van koehorn, generaal van de artillerie; luitenant generaal van d’ infanterie, en directeur generaal van de fortifikatien van den staat der vereenig- de nederlanden. Gouverneur en luitenant generaal van vlaanderen, mitsgaders van de sterkten op de schelde in brabant gelegen, enz. enz. enz. overleden in ’s Gravenhage den 17 van lentemaand, 1704. Franeker 1704. klik hier voor Rijksmonument |
|
|